
Hoewel er met de aankomende WK’s voor de damesselecties <20 (Korea) en <18 (Dominicaanse Republiek) slechts een relatieve rust in handballend Nederland heerst, vormen de zomermaanden een prima moment om uitgebreid de balans van het afgelopen seizoen op te maken. En met wie kunnen we dat beter doen dan Henk Groener, die zich met zijn nationale damesselectie onlangs op spectaculaire wijze wist te plaatsen voor het EK in december?
We treffen de bondscoach op een zomers terras aan de rand van Den Haag, waar hij zojuist met teammanager Wilma Reincke de planning in aanloop naar het eerstvolgende evenement (Holland Handbal Toernooi, 24 t/m 26 september, Rotterdam) heeft doorgenomen.
Voorafgaand aan ons interview, wordt er kort gefilosofeerd over de kansen van het Nederlands voetbalelftal dat een paar dagen later de WK-finale moet spelen. Henk Groener: “Het is fijn dat het Nederlands team durft uit te spreken dat ze wereldkampioen worden, maar dit is nog geen garantie voor succes. Je speelt immers iedere wedstrijd om te winnen. Wanneer je daarin slaagt, ben je aan het einde de kampioen. Zo speel je dus ieder toernooi om kampioen te worden. Dat geldt ook voor ons. Wij gaan in december naar het EK voor de titel.”
Vertel, waarom worden de Nederlandse handbaldames Europees kampioen?
“Omdat de ploeg enorm aan het groeien is. Technisch en tactisch, maar ook als team. Kijk naar welke stappen we dankzij de wedstrijden tegen Macedonië op mentaal gebied hebben gezet. Thuis zijn we er volledig aan onderdoor gegaan, maar in de uitwedstrijd bleven we vervolgens fier overeind. Ondanks alle tegenwerking die we daar ondervonden. Het uitgangspunt is inderdaad dat wij Europees kampioen willen worden. Het heet niet voor niets een ‘kampioenschap’ en geen ‘meedoenschap’. Hoe ver je uiteindelijk komt, hangt daarbij van veel factoren af. Ik werk ook voor het Johan Cruijff Instituut. Daar hebben we een Amerikaanse directeur. Voor hem is het werkelijk ondenkbaar, dat er in Amerika een coach rondloopt die roept dat hij met ‘de bovenkant van het rechter rijtje’ tevreden is. Zo’n coach staat de volgende dag meteen op straat. Iedere topsportcoach hoort aan het begin van de competitie te zeggen dat hij of zij kampioen wil worden. Alleen dán beschik je over het juiste ambitieniveau. Pas dán bereik je het hoogst haalbare. Weet je, geen enkele resultaatdoelstelling is realistisch, want het gaat over de toekomst. Doelstellingen gaan niet over de realiteit, maar over de te verwachten realiteit. Het heeft daarom wat mij betreft geen zin om over resultaatdoelstellingen te praten. Het gaat om wat je wilt en wat je zelf in de hand hebt, je eigen proces. Het gaat om wat je ambities zijn. Op het EK treffen we vijftien ploegen die het precies zo aanpakken. Dus weten we pas aan het eind of we het beter hebben gedaan dan onze tegenstanders. Kortom, het speculeren over kansen is alleen leuk voor bookmakers. Niet voor trainers.”
Van Gaal, Van Basten, Michels, Van Marwijk; met welke van deze vier kun jij je als coach het beste identificeren?
“Met geen van allen, eigenlijk. Ik ken ze niet goed genoeg om een zinvolle mening daarover te geven. Bovendien ken ik ze alleen vanuit de media, dat is verre van een volledig beeld. Om een coach goed te kunnen beoordelen moet je er dicht op zitten, zodat je weet waarom hij de dingen doet zoals hij ze doet.”
Laten we het omdraaien; is er een coach waar jij bewondering voor hebt?
“Waar ik een hele hoge pet van op heb, is de Amerikaanse basketbalcoach Phil Jackson. Een man met een duidelijke en bijzonder eigenzinnige visie. Hier in Nederland sla ik Guus Hiddink en Johan Cruijff hoog aan.
Hoe denk je dat speelsters jou typeren?
“Waarschijnlijk als ‘rustig’. Ook als ‘deskundig’, ‘ambitieus’ en ‘gedreven’.”
In hoeverre kun je als coach experimenteren met nieuwe ideeën?
“Je hebt slechts een beperkte hoeveelheid tijd om je - bijvoorbeeld – intensief met ingewikkelde groepsprocessen bezig te houden. Voor de wedstrijd tegen Litouwen hebben we maar anderhalve dag getraind. Dan kun je lastig aan conflictmodellen werken, want voordat je het weet, is de week alweer voorbij. Als clubcoach ga ik dit niet uit te weg. Bij de Oranje-dames draait het vooral om het bevestigen van de ‘klik’ die we met elkaar hebben en om het voortdurend blijven herhalen van de basisafspraken. Er is weinig ruimte om met nieuwe dingen te komen.”
Wat is de grootste misvatting over de baan als bondscoach?
“Dat ik mensen heel snel, heel veel beter kan leren handballen. Wel kan ik de speelsters in korte tijd dusdanig bij elkaar brengen, dat ze beter tot hun recht komen.”
Aan welke wedstrijd bewaar je als trainer/coach de allerbeste herinneringen?
“Ik ben niet zo van het verleden, moet ik eerlijk zeggen. In elk seizoen is er wel een paar wedstrijden dat er uitspringt. Toen ik begon, als speler/coach bij Swift Arnhem, zijn we van de eerste- naar de eredivisie gepromoveerd. Ook stadgenoot AAC wilde promoveren. Dat waren onderling twee hele mooie derby’s. In Emsdetten speelden we ooit een wedstrijd waarbij we in de rust met vier goals achter stonden en die we uiteindelijk met elf verschil wisten te winnen. Mede dankzij mijn beslissingen. Als je de ploeg concreet kunt helpen bij het bereiken van een goed resultaat, geeft dat natuurlijk een tevreden gevoel. Recentelijk denk ik uiteraard met plezier terug aan de confrontatie in Macedonië waar we ons kwalificeerden voor het EK. Een wedstrijd waarin het moest gebeuren en we er ook stonden.”
Is er ooit een beslissing geweest die je ongedaan zou willen maken?
“In mijn tweede jaar als trainer bij E&O heb ik Joop en Robert Fiege uit de ploeg gezet. Het klikte niet meer in het team. We hadden een grote groep jonge spelers met onder andere Patrick Kersten en Jan de Bakker. Spelers met grote ambities. Joop en Robert waren echter aan het afbouwen, bezig met hun eigen bedrijf en dat soort dingen. In het eerste jaar ging dit nog goed, maar daarna voelde ik het wegglijden. Door ze uit de ploeg te zetten, heb ik indirect ook hun spelerscarrière beëindigd. Op dat moment zag ik echter geen andere oplossing. Als ik tien jaar verder was geweest, dan had ik vast nog andere middelen gevonden. Dan had ik die complexe groepsprocessen eerder en op een andere manier aangestuurd.”
Hoe zorg je in de korte tijd die je tot je beschikking hebt voor het ontstaan van een hecht collectief?
“In eerste instantie doe je dat door goed te selecteren. Door mensen uit te nodigen bij wie je merkt dat er een onderlinge ‘klik’ is. Een aantal meiden dat nu niet meer is uitgenodigd, heb ik uitgelegd dat mijn keuze niet altijd met spelniveau te maken heeft. Soms mis je simpelweg de ‘klik’ tussen bepaalde speelsters in de groep. Na de wedstrijd tegen Oekraïne heb ik gekozen voor enkele beschikbare alternatieven. En dan merk je dat het wél klikt. Dan wordt er op die bewuste posities opeens wél gescoord en worden alle speelsters in het spel betrokken.”
Hoe heb je de eerste periode bij de dames ervaren?
“Voor een deel ben ik ontevreden, omdat we te weinig tijd met elkaar hebben doorgebracht. Dat had slechts gedeeltelijk een financiële reden, maar kwam ook omdat veel speelsters in het buitenland wonen en het moeilijk is om in alle drukke agenda’s genoeg tijd voor de selectie te vinden. Bovendien zijn we hierbij aan strenge regels van de EHF gebonden. Dat is jammer, want onze ambitie ligt hoog. Hier moeten we dus aan werken. Wel ben ik tevreden over de ontwikkeling van de groep en over die van de individuele speelsters in het bijzonder. We hebben goede stappen gezet. En ons daardoor gekwalificeerd voor het EK, natuurlijk.”
Kun je namen noemen van speelsters die je in de afgelopen periode hebt zien groeien?
“Dat zijn er veel geweest. Laura van der Heijden is misschien wel het beste voorbeeld. Toen ze erbij kwam, speelde ze als klein, stil muisje in de rechter hoek. Inmiddels staat ze in het Nederlands team vast op de rechter opbouw. Hierdoor heeft ze gemerkt dat we vertrouwen in haar hebben. Daar staan natuurlijk wel bepaalde verwachtingen tegenover. Die verwachtingen hebben wij en de groep nadrukkelijk uitgesproken. Ik vind dat ze het ontzettend goed heeft opgepakt.”
Wat zijn de belangrijkste verbeterpunten, op weg naar het EK?
“Het samenspel met de cirkel, het benadrukken van onze creativiteit, de omschakeling vanuit de dekking naar de tegenaanval; het zijn allemaal aspecten waarbij veel winst te behalen valt. Dit heeft ook met vertrouwen en ervaring te maken en moet groeien door er veel mee bezig te zijn.“
Is, gelet op de posities en speelstijl, de groep helemaal in balans?
“Op een aantal posities beschikken we over voldoende alternatieven, zeker als je naar alle aanstormende talenten kijkt. Daarentegen is Laura op dit moment nog de enige linkshandige rechter opbouwer. De ploeg is niet zozeer gericht op schoten vanuit de tweede lijn. We moeten het hebben van beweeglijkheid, snelheid en creativiteit. Met Laura, Pearl, Maura en Nycke komt dit prima tot z’n recht. En, niet te vergeten, er staat een grote groep jonge talenten klaar om zich te bewijzen.”
Wanneer is het EK geslaagd en wanneer heb je gefaald?
“Het EK is geslaagd wanneer we na afloop terugblikken en kunnen zeggen dat we alles hebben gegeven wat we in huis hadden. Wanneer dat niet is gebeurd, dan hebben we gefaald. Het hangt in ieder geval niet af van de eindrangschikking. Je kunt Europees kampioen worden ondanks dat je soms niet goed speelt en je kunt met goed spel laag eindigen, omdat je op beslissende momenten wat pech hebt of andere teams simpelweg beter waren. Daar kun je je van tevoren niet op instellen, al zal ik bij iedere verliespartij wel flink teleurgesteld zijn.”
Hoe is de taakverdeling tussen jou en assistent Peter Portengen?
“Ik wilde een assistent die nadrukkelijk iets toe te voegen heeft. Die op emotioneel gebied mijn tegenpool is en die zich durft uit te spreken wanneer hij het niet met mij eens is. Peter zorgt voor een andere energie binnen de groep. Sommige speelsters hebben dat nodig. Wij doen veel dingen samen. Er is geen klassieke verhouding waarin ik de baas ben. Tijdens de wedstrijden overleggen we veel. Als Peter dingen ziet, zoekt hij contact met mij of direct met de speelsters. Wel hebben we afgesproken dat we ons niet tegelijkertijd op dezelfde persoon richten. Als het over handbal gaat, zitten Peter en ik in ieder geval voor 99 procent op één lijn. Zonder dat we alles uitvoerig moeten bespreken. Wanneer we bijvoorbeeld allebei aan lijstjes met opstellingen werken, komen we los van elkaar altijd bij dezelfde namen uit. Dat werkt wel zo prettig.”
Hoe zou je de huidige staat van het Nederlands handbal willen omschrijven?
“Dat hangt af van welk aspect je wilt belichten. Ik vind, en dat klinkt misschien wat raar uit de mond van een bondscoach, dat er te weinig aandacht naar de essentie van een sportbond of sportclub uitgaat; naar de mensen die op vrijwillige basis iets leuks met elkaar willen doen. In de tijd dat de aandacht vanuit de landelijke organisatie en afdelingen op breedtesport was gericht, hadden we een bond met 100.000 leden. Vanaf het moment dat die aandacht op de top werd gefocust – niet als middel om de sport onder de aandacht te brengen, maar meer als doel op zich– zag je de leden weglopen en het verbond afbrokkelen.”
Heeft dat niet te maken met maatschappelijke ontwikkelingen en de afnemende interesse voor teamsporten?
“Dat vind ik te makkelijk. Begin jaren negentig heb ik samen met Bert Bouwer een ledenwervingproject uitgevoerd. De daling zat er toen al behoorlijk in. Ik kwam bij veel verenigingen over de vloer, maar zag dat er tevens clubs waren met ledengroei. Opvallend genoeg tegen de landelijke tendens in. We zijn gaan onder zoeken hoe dat mogelijk was. Zo kwamen we tot de ontdekking dat het in alle gevallen om verenigingen ging die het belang van een goed eerste team weliswaar zagen, maar die er geen prioriteit aan gaven. Of die het leiden van de organisatie rond zo’n team uitbesteedden aan mensen die daar goed in waren. Belangrijker was, dat al die groeiende verenigingen doorhadden dat de club drijft op mensen die contributie betalen en het naar hun zin willen hebben. Leden moeten goed worden opgevangen, bijvoorbeeld met activiteiten die niet altijd met handbal te maken hebben. Lid zijn van een club is namelijk een sociaal gebeuren. 99,9 procent van onze achterban houdt zich niet met topsport bezig. Dus zou 99,9 procent van onze aandacht naar breedtesport moeten gaan. Dit geldt voor de bond, het bestuur, de afdelingen en voor de clubs. Voor de topsport moet je deskundige professionals inhuren en hun het werk laten doen. Die zijn er ook aan gewend dat ze worden afgerekend wanneer ze niet succesvol blijken te zijn. Een dergelijke visie hoeft niet ten koste van topprestaties te gaan. De kunst is alleen om beide ‘kampen’ bij elkaar te houden. Ik hoop dat we er met z’n allen nog meer voor gaan zorgen dat jeugdleden goede trainers en begeleiders krijgen, dat er goede scheidsrechters komen en dat de verenigingen worden ondersteund op het gebied van trainingen en activiteiten. Dan zullen we het ledental vast weer zien groeien.”
Het is een misvatting om te denken dat het ledenaantal vanzelf groeit zodra de nationale selecties zich in de kijker spelen?
“Natuurlijk heeft zoiets impact. En natuurlijk bestaat er een link tussen een gouden medaille en het ledenaantal van de bond. Alleen duurt dit effect slechts drie maanden. En stel, een kind ziet het succes van een sportploeg en meldt zich aan bij een club. Dan moet zo’n club er wel op zijn ingesteld om dat kind het naar zijn zin te maken. Ik ben, zoals alle jongens, begonnen met voetballen. Als 7 of 8-jarig jochie kwam ik bij een club terecht waar een wat oudere man, die zich trainer noemde, ons gewoon een uur elf tegen elf liet spelen. Ik kwam net kijken en raakte in dat uur dus geen enkele bal. Daar werd ik niet vrolijk van. Uiteindelijk meldden mijn ouders mij bij Swift Arnhem aan, waar ik met open armen werd ontvangen. We trainden in een klein parochiezaaltje onder een kerk, maar een lol dat we hadden! Dus bleef ik er hangen. Als trainer kwam ik bij E&O toen de club slechts één c-jeugd, geen b-jeugd en één a-jeugdteam had, ondanks dat het eerste herenteam Nederlands kampioen was. Omdat ook daar jarenlang alleen naar de top was gekeken. Door veel meer aandacht op de jeugd te richten en door bijvoorbeeld bij scholen langs te gaan, beschikte E&O na drie jaar in iedere categorie weer over twee teams. Uiteindelijk komt het er op neer dat je er voor moet zorgen dat het grootste deel van de achterban het naar zijn zin heeft. Dat de leden het leuk vinden om bij de club te horen. Dat de leden het leuk vinden om iets voor de club te doen. Zorg ervoor dat je, afhankelijk van de ambities, de juiste mensen en middelen hebt om topsport te bedrijven. Maar zorg er niet voor dat je met de verkeerde aandacht voor topsport het belang van breedtesport verwaarloost.”
Er wordt regelmatig geroepen dat met het vertrek van talenten naar het buitenland de Nederlandse competitie wordt uitgehold.
“Je moet kijken naar wat we in Nederland voor de ontwikkeling van talenten te bieden hebben. Investeren in trainingsarbeid alleen, is niet voldoende. Het gaat ook om de juiste voorzieningen. Je kunt wel zeggen dat er acht keer per week moet worden getraind, maar als je dan ook nog veertig uur per week moet werken, heb je een probleem. Dus komt het neer op financiële middelen om sporters voor een bepaalde tijd vrij te maken. Dat is wat ik ook altijd tegen mijn spelers zeg; als je vijftien uur in de week meer gaat trainen, moet je ook vijftien uur in de week meer rusten. Dan ben je al dertig uur extra in je agenda kwijt. Dat is hooguit te combineren met een studie, maar zeker niet met een baan.”
De oplossing?
“Zorg dat je een competitieopzet hebt die past bij iedereen die niet de ambitie of het niveau heeft om naar het buitenland te gaan, maar die wel eredivisie wil spelen. Een competitie voor handballers die bijvoorbeeld vier keer in de week trainen en af en toe ook wel eens een weekendje vrij willen zijn. Als je daar de verenigingen en competitie op afstemt, zul je merken dat spelers minder vroeg afvallen. Kijk naar de gemiddelde leeftijd in de eredivisie. Jeugd die nog op school zit, krijg je nog wel zo gek om veel te trainen en om alle weekenden op pad te zijn. Iemand met een baan, een huis en kinderen, bedenkt zich wel twee keer. Maak de competitie aantrekkelijker voor deze laatste groep en je zult merken dat ook spelers van dertig of ouder interesse in tophandbal houden. Scheelt ook in blessures door overbelasting. Voor de sporters die meer willen, moet je extra programma’s ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld de HandbalAcademie. Ondertussen mogen we best trots zijn op alle spelers en speelsters die de ambitie hebben om in het buitenland de top te bereiken. Kijk naar wat Wesley Sneijder bij Inter Milaan presteert. Die verwijten we toch ook niet dat hij de Nederlandse competitie uitholt?”
Hoe past de HandbalAcademie in dit verhaal?
“De HandbalAcademie is noodzakelijk omdat clubs niet in staat zijn – ook financieel niet – om de professionele begeleiding te bieden die nodig is om speelsters naar de internationale top te brengen. De groep die Bert Bouwer fulltime onder zijn hoede had, was weliswaar iets ouder dan de speelsters van de Academie, maar vond vrij snel haar weg richting de internationale top. Daarna gebeurde er een hele poos niks, maar er waren wel speelsters met ambitie voor het buitenland. Deze lichting is voor een groot deel bij ploegen in onderste regionen van de Eerste Bundesliga of in de Tweede Bundesliga beland. Omdat de basis ontbreekt, hebben ze nu moeite om betere clubs te vinden. Vanuit het NOC*NSF wordt een aantal topsporteisen neergelegd. Sterker nog, de topsport stelt z’n eigen normen. Het is pertinent niet waar dat al het geld voor de HandbalAcademie door de leden van de bond moet worden opgehoest. Het grootste gedeelte komt vanuit sponsoring en ondersteuning vanuit het NOC*NSF met daarbij nog een eigen bijdrage van de speelsters. Dus is het ook niet waar dat de investeringen in de Academie ten koste gaan van de breedtesport. De salarissen van de Academie-trainers bijvoorbeeld, worden gesubsidieerd door het NOC*NSF. Daar zit geen stuiver aan contributieverhoging bij. Er is zelfs een risico, dat er subsidies wegvallen zodra je met de Academie stopt. Omdat je dan in de ranking van het NOC*NSF daalt. In dat geval wordt het nog lastiger om de begroting rond te krijgen en ben je uiteindelijk veel verder van huis. Maar het belangrijkste is, dat de ontwikkeling van de speelsters die aan de HandbalAcademie deelnemen aantonen dat we op de goede weg zijn.”
Begin augustus verschijnt het tweede zomerinterview, deze keer met Harrie Weerman, bondscoach van de herenselectie.
© NHV
Bron: NHV Landelijk




