
Na de recente interviews met bondscoaches Henk Groener en Harrie Weerman, is ditmaal het woord aan international Jasper Snijders. We spreken hem midden in de voorbereiding van KRAS/Volendam, waar Jasper met zijn team in Michel van Halderen’s Welness Profi Center te Purmerend de kracht- en conditietrainingen afwerkt.
Hoe zwaar is het voorbereidingsprogramma bij KRAS/Volendam?
“Dat is best pittig. We trainen hier in Purmerend zes keer per week. Drie dagen hebben we twee trainingen per dag; een krachttraining in de ochtend en een looptraining ’s avonds. De jongens die de krachttraining moeten missen, halen het dan ’s avonds in. Van Michel krijgen we schema’s, maar we trainen ook regelmatig samen met de boksers die hier ook komen. Half juli zijn we gestart met een tien kilometerloop en daarna hebben we meteen het schema opgepakt. Ondertussen is ook de keeperstraining opgestart. De andere drie trainingen zijn in de zaal, waarvan één op zaterdag. Al met al zitten we nu op zo’n veertien trainingen van gemiddeld anderhalf uur per week.”
Hoe ziet jullie weekindeling er uit als straks de competitie begint?
“Dan hebben we op woensdag vrij, de overige dagen trainen we twee keer per dag en op vrijdag één keer.”
Wat doe je nog naast het handbal?
“Ik werk als onderzoeker bij de afdeling Huisartsgeneeskunde van het Erasmus in Rotterdam. Verder werk ik bij de Sportkoepel Edam-Volendam, mede onder supervisie van de club. Ik zorg er bijvoorbeeld voor dat er handballessen op scholen in de buurt worden gegeven, dit jaar aan groep zeven van al die scholen. Ook helpen we bij het organiseren van toernooien voor andere sportverenigingen. Gelukkig kan ik mijn werk goed combineren met de trainingen bij de club. Zolang ik het maar goed plan.”
Denk je al na over een carrière na het handballen?
“Ik ben nu aan het kijken of ik zou willen promoveren. Op dit moment werk ik aan het promotieonderzoek van een collega, een huisarts die tevens sportarts bij voetbalclub Excelsior is. Toch heb ik nog niet helemaal helder wat ik in de toekomst zou willen doen. Ik wil zeker weten of ik iets leuk vind, voordat ik me er helemaal in stort. Zo’n promotietraject duurt namelijk al snel vier jaar.”
Je woont in Amsterdam, maar bent in Rotterdam geboren en bij Atomium begonnen met handballen.
“Ja, toen ik vier was. Ik zat eerst op judo, maar via mijn moeder kwam ik in contact met handbal en mocht ik met de mini’s meedoen. Bij de oudere jeugd hadden we een vrij ambitieus team en kwam ik ook in de afdelingselectie terecht. Vanuit dat afdelingsteam ben ik geselecteerd voor de centrale trainingen van de jongste Oranje-selecties. Daar werd in overleg duidelijk dat ik op clubniveau stappen moest zetten om mij als international verder te ontwikkelen. Zo heb ik uiteindelijk dus voor KRAS/Volendam gekozen.”
Waarom Volendam?
“Peter Portengen heeft mij gevraagd op het moment dat ik in Amsterdam ging studeren. Ik kon uit meerdere verenigingen kiezen, maar de benadering van Peter sprak mij het meeste aan.”
Je bent nu 27 en pas vrij laat aan de A-selectie toegevoegd.
“Na jong-Oranje heb ik onder Henk Groener twee interlands met de A-groep gespeeld. Beide keren tegen Amerika. Nadat Pim Rietbroek bondscoach werd, heb ik geen uitnodiging voor de selectietrainingen meer ontvangen. Wel mocht ik onder hem een keer mee op stage naar Duinkerken. Pim was wel enthousiast, maar net in die periode stopte hij bij het NHV. Afgelopen jaar ben ik door Harrie Weerman opnieuw uitgenodigd voor de wedstrijden tegen Wit-Rusland. Sindsdien speel ik alles weer mee.”
Weet je wat de bondscoach van jou persoonlijk verwacht?
“Dat ik vanaf de middenopbouw de lijnen uitzet, ik de combinaties met de cirkelspelers opzoek en dat ik de jongens om mij heen beter laat spelen. Ik denk dat er van mij wordt verwacht dat ik structuur in het spel aanbreng.”
In het zomerinterview met Harrie Weerman, gaf de bondscoach vooral aan dat hij ook verwacht dat jouw scorend vermogen - zoals je dat bij de club laat zien - ook doortrekt in het nationale team.
“Dat snap ik wel, maar het is inherent aan het feit dat ik een speler ben die veel aandacht aan de organisatie geeft. Natuurlijk moet ik ook voor mijn eigen kansen spelen, maar als middenopbouwer is het lastig om daar een goede balans in te vinden.”
Hoe verklaar je de collectieve off day in Oostenrijk?
“In het begin liep het best goed en ging het tot 9-9 gelijk op. We hadden afgesproken om op rechts te kruizen met Mark Bult, die een soort halve mandekking kreeg, waardoor er veel ruimte op rechts zou ontstaan. Maar Bartek was in goede vorm en schoot vaak de eerste bal al op doel. Vijf van de zeven gingen er ook gewoon in. Op een gegeven moment misten we veel open kansen en kregen we makkelijke doelpunten tegen. In de tweede helft bleven we vervolgens die open kansen missen, terwijl Oostenrijk wel gewoon scoorde. Dat waren vrijwel allemaal breaks, dus kregen we ook geen kans om vanuit een goede dekking weer in de wedstrijd te groeien.”
Gelukkig hebben jullie in de thuiswedstrijd een veel betere wedstrijd laten zien.
“Absoluut. Je zag dat Oostenrijk er vol voor ging. Al hun toppers stonden gewoon in het veld. Wat ik voor mezelf best moeilijk vind, is om als nieuweling de verantwoordelijkheid te nemen om het team goed neer te zetten. Uiteraard moet ik dat wel doen, maar de bondscoach moet mij niet op het midden zetten als hij wilt dat ik 15 keer per wedstrijd op doel schiet. Ik snap echter wel dat hij graag ziet dat ik in mijn spel iets meer aandacht aan mijn eigen productie besteed.”
Aan welke wedstrijd bewaar je de beste herinneringen?
“Dat was misschien wel de Bekerfinale die we in Almere met Volendam tegen Aalsmeer speelden. We kwamen elf doelpunten achter in de eerste helft, maar hebben ‘m uiteindelijk nog gewonnen. Dat was een supermooie ervaring. Ook de wedstrijden die ik met het Nederlands team speel, hebben altijd iets speciaals.”
En de grootste teleurstelling?
“Die wedstrijd in Oostenrijk natuurlijk, maar ook het verliezen van de finale om het landskampioenschap tegen Hellas, twee jaar geleden. Misschien was dat wel de grootste teleurstelling. Omdat ik in die wedstrijd weinig heb meegedaan.”
Wat maakt, volgens jou, van iemand een goede trainer?
“Ik vind het belangrijk dat een trainer iedereen gelijk behandelt. Dat als iemand een fout maakt hij – ongeacht wie het ook is – gewoon op z’n flikker krijgt. Als ik zelf iets fout doe, wil ik dat graag horen. Ik vind het fijn als een trainer enthousiasmerend is. Dat is het goede aan mijn huidige trainer Martin Vlijm. Die haalt iedereen altijd overal bij en kan een groep mentaal enorm oppeppen. Peter was echt fantastisch in de details en in de technische aanwijzingen. Ik heb superveel van hem geleerd, maar Peter was in zijn werkwijze iets minder in het betrekken van de hele groep. Dankzij Martin zitten ook de dames van het sportcentrum op de tribune bij de wedstrijden in Volendam.”
Hoe hebben jouw trainers je als individuele sporter beter gemaakt?
“In de eerste jaren bij Volendam heb ik van Peter vooral veel op technisch vlak geleerd. Over de schotkeuzes die ik moest maken, bijvoorbeeld. Hij heeft me zo’n beetje alle schotvariaties die er bestaan laten oefenen. Als je dit maar vaak genoeg doet, kom je er vanzelf achter wat je het beste ligt. Verder heb ik van Peter geleerd hoe ik via veel beweging goed met de cirkel kan samenspelen. Hoe ik kan anticiperen op wat er in de dekking gebeurt. Hij heeft er veel handbalintelligentie ingebracht. Bij Maurice Canton kreeg ik meer verantwoordelijkheid. Dat heeft me zeker verder geholpen. Wat Martin ons leert, en wat je ook erg in het spel van het afgelopen seizoen hebt terug gezien, is snelheid. Het tempo hooghouden en snel omschakelen. Dat is iets wat we bij het Nederlands team nog beter zouden kunnen doen.”
Nu we het er toch over hebben; welke stappen zijn er volgens jou nodig om met Oranje aansluiting bij de internationale top te krijgen?
“Ik denk dat er meer zekerheid in het spel moet komen. Als het nu misgaat, gaat het meteen vreselijk mis. Ik wil automatismen waar we op kunnen terugvallen. Dat is er nu nog minder omdat we niet zo heel lang in deze samenstelling spelen. Het is best moeilijk, want we hebben als selectie maar weinig tijd die we samen kunnen doorbrengen. Hoe meer wedstrijden we spelen, des te beter het is.”
De bondscoach legt de nadruk op het fysieke aspect; op sterker worden.
“Tot op zekere hoogte ben ik het daar mee eens. Maar kijk bijvoorbeeld naar IJsland, dat is geen team van twintig beren. Natuurlijk zitten er een paar sterke jongens tussen, als team komen ze echter heel ver met snel en intelligent handbal. Fysiek is inderdaad heel belangrijk, maar dat betekent niet dat we allemaal groter en sterker dan de tegenstanders moeten worden.”
Vanaf nu richten jullie je op de kwalificatie voor het EK 2012 in Servië met de Noren, Tsjechen en Grieken als tegenstanders.
“En dat is best pittig. We hebben een goede mix tussen jonge en ervaren spelers. De ouderen zitten nog niet aan het eind van hun loopbaan. Misschien is alleen Mark Schmetz echt oud, haha. De generatie die onder Mark zit, is nog geen dertig. Bij mannen ligt de top van je kunnen toch boven je 28e.”
Waarom heb jij nooit voor een buitenlands avontuur gekozen?
“Ik ben een paar keer gevraagd door een club uit de Tweede Bundesliga. Daar ben ik nooit op ingegaan omdat ik graag mijn universitaire studie wilde afmaken. Dat vond ik belangrijk, want er is nog een leven na het handbal. Nu speel ik Europacupwedstrijden en finales met Volendam, terwijl ik mij bovendien op mijn toekomst kan richten. Ik vind het mooi als ik de verhalen van Joey Duin over zijn tijd in het buitenland hoor, maar ik weet niet of het bij mij ook zo was verlopen.”
KRAS/Volendam wordt door de ‘handbalkenners’ vaak aangehaald als voorbeeld van een vereniging waar op een succesvolle manier aan de ontwikkeling van topsport wordt gewerkt. Wat gebeurt er bij jullie anders?
“Je hebt ten eerste natuurlijk een groep jongens nodig die heel veel willen trainen. Het aantrekken van goede trainers is belangrijk, maar ook het vinden van voldoende geld om de juiste faciliteiten te bieden. Volendam richt zich niet alleen op de top maar ook op breedtesport. De vereniging beschikt over veel leden. De accommodatie is verbeterd, wat helpt bij de uitstraling van de club. Verder is er een goede organisatie. Die is door Piet Kes opgezet en wordt met mensen als Joost Ooms nu verder uitgebreid en geprofessionaliseerd. Daar profiteren wij als spelers van. Dan gaat het nog niet eens om vergoedingen, maar veel eerder om zaken als vervoer, huisvesting en stageplekken. Door de businessclub beschikt Volendam over een breed netwerk en zo krijgt de club een hoop dingen voor elkaar.”
Hoe zien jouw ambities er bij de club uit?
“Ik zou graag kampioen worden, de nationale Beker en de Beneliga winnen.”
Nog een keer!
“Ja natuurlijk, dat wil je toch elk jaar? Maar ik zou ook graag in Europa verder willen komen. Vorig jaar hadden we een uitstekende voorbereiding, maar troffen we meteen San Antonio. Dat was te hoog gegrepen. Nu moeten we tegen een Israëlische ploeg. Op papier een minder zware tegenstander. Toevallig wilde een speler van die club naar ons toekomen (hij vroeg 2500 euro in de maand, dus dat ging niet door). Hij had een video van Maccabi Rishon Le Zion opgestuurd waarin ze met negen doelpunten verschil van de tweede ploeg in Rusland wonnen. Laten we het dus vooral niet te licht opvatten!”
En, tot slot, de ambities bij Oranje?
“Ik zou heel graag eens een toernooi met deze ploeg willen spelen. Ik hoop dat we de stappen kunnen zetten die dat mogelijk zal maken. Ik ben benieuwd hoe het zal gaan, volgend jaar, al weet niet of ik er weer bij ben. Qua leeftijd kan ik het nog makkelijk aan en aan mijn wil zal het zeker niet liggen. Ik mag die jongens graag en heb het er erg naar mijn zin. Het zijn leuke gasten. Spelen in Oranje heeft iets extra’s. Dat doe je ook voor de eer!”
Eind van deze maand wordt de serie zomerinterviews afgesloten met international Silvia Hofman. U leest het binnenkort op Handbal.nl!
Bron: NHV Landelijk




